Van Astrologie naar Horoscopie

 

Opzet van de duiding

28.2

bladzijde 2 van 12

 

Algemene Ankerpunten

Tot nu toe vonden we voor de horoscoopduiding als geheel de volgende ankerpunten:

a. We kunnen ons de verschijning van een mens (19.1) voorstellen als een Ego dat middels de eigen rotatie in deze ondermaanse wereld een plaats- en tijdgebonden ontwikkelingsveld voor zichzelf uitzet (6.2, 8.1).

b. De rotatie is een vorm van "Ik-zeggen" (16.2).

c. Middels het zelf-opgeroepen veld geeft het Ik een eigen bijdrage aan het hem omringende grotere geheel, en andersom. (18.1.b, 21.3)

d. In de baby- en peuterfase leven de krachten der ziel zich nog onafhankelijk van elkaar uit, terwijl de moeder (Maan) dient als omhullende externe Ik-reflecterende instantie (21.1).

e. Langs verschillende tussenstadia van polarisatie en bundeling (21.2) kan (rond het 28e levensjaar) dit Ik (22.21) tot een volgroeide zelfstandigheid uitkristalliseren. (21.3)

f. De gerichtheid van het Ik kan uitgaand zijn (25.3.a) of ingaand (25.3.a) en al of niet gericht zijn op een samenbundelende (22.18) of uitwaaierende (22.18) projectie.

g. De mate waarin de Ik-zelfstandigheid volgroeid raakt en uitkristalliseert kan per individu sterk verschillen (28.2.a). Het is belangrijk dit mee te nemen bij de duiding van de herenverbanden, die hierna zullen worden besproken.

 

Toetspunten voor duiding vanuit het Maan-Ik

1. Het centrum

Allereerst willen we een indruk krijgen van de aard van het centrum van het veld. Het gaat dan om de mate van eenpuntige uitkristallisatie, of van inertie, of verstrooiing van het Ik. Hiervoor weegt de coherentie binnen de groep van buitenplaneten of binnenplaneten (18.3) mee, evenals de inbreng van de planeten Zon, Saturnus en Uranus. (21.3, 23.7, 27.3)

2. De polaire verbanden rond de Aarde

De planeten die twee aan twee ter weerszijden van de Aarde staan hebben als omvattende paren een stabiliserende invloed op de centrumpositie van het Ik. (18.4)

3. De werveling van het Ik

Van hieruit kunnen we dan nagaan in hoeverre dit gevormde Ik zich in zijn werveling opricht tot zelfstandigheid (16.2, 19, 21).

4. Het aantal aspecten

Vaak wordt voor de beoordeling van de intrinsieke kracht van een horoscoop naar het aantal aspecten gekeken. En inderdaad vormen de aspecten de uitingsmogelijkheden van het Ik. Naast de aspecten als uitingsmogelijkheden van het Ik zijn zij ook een indicatie voor de mate van uitkristallisatie ervan (19.1) en voor de gerichtheid van het Maanlichaam (22.16). In het laatste geval kunnen de aanwezige aspecten (hetzij veel of weinig) de uitkristallisatie van het Ik verstoren of op het Ik desoriënterend uitwerken. Dit geldt zowel voor de uitgaande projectie als voor de ingaande. (25.3.a)

5. De Beeldvorming

De Maan brengt de Ik-voorstelling naar buiten (6.2) die, al of niet proportioneel afgestemd (22.16), werkt als voedend (ontwikkelend) of vormend (resultaat opbrengend). In dit alles kan zij sturend (22.17) werken: lokkend (23.10), (mis-)leidend (22.17), verwarmend (23.10), betoverend, verhardend (23.10), vertekenend (22.10, 22.17), uitvergrotend (22.18.a) of verkleinend (22.18.a) binnen een extraverte of introverte instelling.

In vroege ontwikkelingsprocessen kan de instelling van de Maan aan de basis liggen van storingen daarin zoals symbiose (23.2), narcisme en dissociatie (23.3). Op alle mogelijke wijzen (22.18.a) kan zij in het beeld dat zij neerzet haar zelf-gecreëerde werkelijkheid (1.4) aan de beschouwer (dus ook aan de geborene-zelf) voorspiegelen (22.17). Dit is haar finale rol. We kennen dit als iemands persoonlijke instelling en opstelling. Tenslotte kan ook de geborene-zelf zicht krijgen op deze eigen Maan-werking. De eigen horoscoop kan hierbij van dienst zijn.

 

 

literatuurlijst, onderwerpen per pagina, woordenlijst, afbeeldingen,

tabellen en schema's, blauw gemarkeerde teksten, forum